Live Live

In Boekelo overleden Willem Brakman zag de wereld door een glasplaat: ‘Hij is een wereld op zichzelf’

Gepubliceerd: Zaterdag 25 januari 2020 09:40

In Boekelo overleden Willem Brakman zag de wereld door een glasplaat: ‘Hij is een wereld op zichzelf’

Al die absurde scènes, de grappen en grollen en vaak ook de ernst in de boeken van Willem Brakman zijn veel autobiografischer dan gedacht. Zo blijkt uit de biografie Een ongeneeslijk heimwee, geschreven door Nico Keuning.

Theo Hakkert | Tubantia

Ooit vertelde Willem Brakman in een televisieprogramma dat er tussen hem en de buitenwereld ‘een glasplaat’ stond. „Ik zie de buitenwereld wel, maar ik kom er niet bij en omgekeerd komt die wereld niet bij mij”, die binnenkort verschijnt.

Nico Keuning, schrijver van de biografie van Brakman die op 4 februari verschijnt, zegt: „Hij heeft beschreven waar hij geen deel van kon uitmaken. Hij heeft van zijn tekort kunst gemaakt. De kloof tussen hem en de werkelijkheid probeerde hij met schrijven te dichten. Maar hij wist dat hij daarmee de kloof alleen maar groter maakte, omdat hij uitging van een ideale lezer. Daar zijn er weinig van, zodat er veel onbegrip overbleef. In die zin leefde hij in een geheel gesloten universum. Brakman is een wereld op zichzelf.”

Willem Brakman (1922 - 2008) werd geboren in Den Haag, maar vanaf 1957 heeft hij in Twente gewoond, eerst op twee adressen in Enschede, de laatste jaren in Boekelo. Hij kwam naar Enschede om bedrijfsarts te worden. De artsenij gaf hem in de goede jaren van de Twentse textiel veel vrijheid. Er werd weinig een beroep op hem gedaan, waardoor hij veel tijd had om te schrijven. Hij deed dat op de gekste plekken: toiletten, lege behandelkamers, ergens onderweg van de ene fabriek naar de andere. Altijd bezig met krabbelen.

In zijn Boekelose jaren fietste hij vaak door de omgeving. Viel hem een idee of formulering in, dan sprong hij pardoes van zijn fiets en maakte een notitie. Nico Keuning (1952) schrijft dat Brakmans vrouw Moof voor een fietstocht begon altijd vroeg: ‘Wordt het leukfietsen of denkfietsen’?

‘Brakman leefde op de grens van fantasie en werkelijkheid’
Hij debuteerde in 1961 met Een winterreis. Een gestage stroom aan romans, verhalenbundels en essays volgde. Zodra hij de kans kreeg werd hij fulltimeschrijver. „In de begintijd in Enschede werd van een bedrijfsarts verlangd dat je zo min mogelijk van de man merkte. Zodra het belangrijker werd, bij het sluiten van de textielfabrieken, raakte hij onmiddellijk overspannen. Niet gewend om werkelijk iets te doen.”

Al in 1980 werd hem voor zijn gehele oeuvre de P.C. Hooftprijs toegekend. Vroege erkenning, want er zouden nog tientallen boeken volgen. Een tijdlang was de afspraak met de uitgever dat hij drie boeken per twee jaar kon inleveren. Uiteindelijk 55 romans en verhalenbundels, naast veel gelegenheidswerk, zou Willem Brakman publiceren.

Wouter
Hoewel, Willem? „Iedereen zegt Wim”, zegt Nico Keuning met een glimlach. „Hij heet gewoon Wim. Hij is Willem geworden door Kees Lekkerkerker, die hem in De Gids liet publiceren, alleen vond hij Wim een jongensnaam. Hij zou er weleens spijt van kunnen krijgen naarmate hij ouder werd. Lekkerkerker stelde Willem voor. Of zijn initialen W.P.J. of Wouter. Wouter! Dus als Brakman had gezegd ‘Doe maar Wouter’, en dat had gekund, want hij had een grappige geest, hadden we nu zitten praten over de schrijver Wouter Brakman.”

Grappig was Brakman inderdaad. Een speelse verteller, veel gevoel voor humor en het absurde. „Hij hield van dollen. Hij heeft altijd de neiging gehad om als iets serieus werd er een grapje van te maken.”

Dit is allemaal terug te vinden in zijn romans, al hangt daar steevast een zweem van ernst omheen. Keuning: „In zijn literaire werk is hij ook heel grappig, maar daar moet je er wat meer gevoel voor hebben. Iedereen neemt hem altijd zo serieus. Brakman had de naam een heel literaire schrijver te zijn. Ik schrijf in de biografie over ‘zanderen’, dat is een therapie bedacht door een Zweed. Gymnastische oefeningen tegen kromlopen, iets waar Brakman last van had. Hij heeft dit beschreven in de roman De bekentenis van de heer K. Ik vind dat zo’n hilarisch stuk. Maar ik hoorde een opname waarin hij die passage voorleest in een zaaltje. Het bleef doodstil. Het publiek dacht: dit is literatuur, dit is Willem Brakman, het zal wel ernst zijn.”

Keuning, die eerder de biografieën schreef van Max de Jong, Bob den Uyl, Jan Arends en Johnny van Doorn, heeft door de jaren heen de boeken van Brakman gelezen en vaak ook besproken. Nu hij zich vier jaar lang in leven en werk heeft verdiept, heeft hij hem echt leren kennen: „Het was een man die op de grens van fantasie en werkelijkheid leefde. Zoals zijn boeken zijn, zo was zijn geest.”

Bron van echtheid
Wat hij in de biografie helder en met veel bewijs aantoont is dat de boeken van Brakman, ondanks die glasplaat, hun wortels in de werkelijkheid hebben. „Er zit vrijwel altijd een bron van echtheid in, want anders kan hij er niet over schrijven. Zo is bij hem de autobiografie veel belangrijker dan mensen denken. Veel scènes in de boeken zijn terug te leiden naar zijn leven.”

Den Haag levert het vaakst het decor voor een Brakman-vertelling, maar ook tal van plekken in Enschede en omgeving keren herkenbaar in de boeken terug. Van de rododendrons in het Van Heekpark tot zijn werkkamer, van Stadsmaten tot de hut waar schrijver Jean-Paul Franssens woonde toen hij als regisseur werkte bij Opera Forum. Consternatie toen Brakman in de roman Kind in de buurt (1972) letterlijk een boekje opendeed over de wellustige handel en zedenloze wandel in de Enschedese kunstwereld van die tijd. „Franssens schopte een rel. Hij wilde niet dat zijn vrouw dit las.”

Kamervragen
Past helemaal bij Brakman. „Dit is echt zijn domein. Hij liet zich door niets en niemand tegenhouden. Door familie niet, door rechtszaken niet. Er zijn in 1966 zelfs Kamervragen gesteld over De gehoorzame dode, een van de vele romans waarin het Lazarus-motief zit, het terugkeren uit de dood. Hij werd beschuldigd van blasfemie. Het kon hem niets schelen. Jezelf trouw blijven, geen enkele concessie doen, zo leefde hij. Brakman was unverfroren. Dat hij mensen die hij herkenbaar opvoerde later nog eens tegen zou komen, daar kon hij geen rekening mee houden. Hij gaf het gewoon een plek in zijn werk. Daarmee was het literatuur geworden. Misschien is wel de grootste onthulling van mijn biografie: niet het vreemdgaan, maar hoe hij als schrijver zijn oeuvre heeft gebouwd op de werkelijkheid.”

Vreemdgaan: ja, ook dat. Keuning tekent in Een ongeneeslijk heimwee uiteraard het hele leven van Willem Brakman op. Zoon uit een kleinburgerlijk Haags milieu met wortels in Zeeland. „Een sullige vader, moeder verpleegster en een broer, Jack, die in alles zijn tegenpool was: avonturier, sporter, versierder. Terwijl Wim leefde in zijn hoofd.”

Meisjes
Fantasieën over meisjes had hij te over, maar hoe ze te benaderen? Hij had geen idee. De vrouw met wie hij trouwde op zijn 30ste had hij al zijn hele leven gekend. Moof, het zusje van een vriendje, was tien jaar jonger. „Toen zij 18 werd, zag ze hem pas echt. Ze is gevallen voor zijn humor.”

Toen hij naam had gemaakt als schrijver kreeg hij vrouwelijke fans. „Het leek wel een inhaalslag. Vroeger waren de meisjes, net als Ina Damman in de roman van zijn grote collega Simon Vestdijk, onbereikbaar. Toen hij schrijver werd kreeg hij bewonderaars. Hij hoefde er niks voor te doen.”

Keuning noemt met naam en toenaam een Enschedese vrouw (en haar echtgenoot, een docent op de AKI) met wie Brakman een verhouding had. Een tijdlang woonde hij toen niet meer thuis. Al zag hij er geen bezwaar in zijn wasgoed af te geven. „Een gekke periode, ook voor Moof en het gezin. Paulien, hun dochter, had er grote moeite mee. Rebellerend en recalcitrant – ze stond natuurlijk naast haar moeder. Toen hij de waszak kwam brengen, heeft zij bij die vrouw aangebeld en ’m zo de gang in geflikkerd. Vind ik heel stoer van haar. Uiteindelijk is het weer goed gekomen. Moof heeft er veel moeite mee gehad, omdat ze veel voor hem deed en hem vrijhield in praktische zin, zodat hij zijn gang kon gaan en kon schrijven. Als stank voor dank kwamen daar geliefden bij.”

Ook dit deel van de autobiografie vond zijn weg naar de literatuur. Brakman deinsde er niet voor terug scènes en verhalen rond deze ontrouw een plek te geven in zijn romans, in een aantal zelfs: De opstandeling, Het zwart uit de mond van Madame Bovary en Come-back bijvoorbeeld.

Opmerkelijke vrienden
De vriendenkring van Brakman was klein maar loyaal. Er zit een aantal opmerkelijke figuren tussen. Zo had hij een bijzondere, levenslange vriendschap met Nol Gregoor (1912 - 2000), die hem introduceerde in de wereld van kunst en literatuur. Een vriendschap met veel wrijving en soms animositeit over en weer, maar ze verloren elkaar nooit uit het oog. „Ondanks Nols onhebbelijkheden, hebzucht en moeilijk doen over geld. Wim was trouw tot in den doet”, volgens Keuning.

Hij schetst een bizar voorval bij een reis van de twee naar Engeland, waar Brakman graag en geregeld kwam. Gregoor had een houten been vroeg hem of hij de koffer de treeplank van de boot op wilde dragen. Brakman weigerde dat. Bij een andere reis, samen met zijn zoon Steven, bleek dat Brakman zijn pantoffels nog aan had.

Veel van dit soort episodes kwam in de romans terecht. Nol Gregoor kon zich in tal van romans en verhalen, onder allerlei namen, terugvinden. „Na Nols overlijden komt hij in elke roman van Brakman voor.”

Secretaris
En dan is daar Gerrit Jan Kleinrensink, een Neerlandicus uit Nijmegen. Hij was de beoogd biograaf van Brakman, al vanaf eind jaren 80. De schrijver en hij waren welhaast onafscheidelijk. Waar Brakman ging, daar was Kleinrensink. Als een soort persoonlijk secretaris. Hij nam alles op, zelfs telefoongesprekken, en maakte eindeloos aantekeningen. Alles voor de biografie – die hij nooit zou schrijven. Brakman wilde het uiteindelijk niet, hij was het niet eens met de aanpak van Kleinrensink. Na het overlijden van Kleinrensink, in 2014, hebben zijn dochters het Brakman-archief overgedragen aan het Literatuurmuseum in Den Haag.

„Het zijn 61 dozen.” Keuning werkte die in twee jaar tijd door, terwijl hij daarnaast het oeuvre herlas en zo veel mogelijk betrokkenen interviewde, onder wie uiteraard Brakmans weduwe en kinderen. „Twee jaar onderzoek moet genoeg zijn, anders blijft het niet leuk. Anders verzand je in details. Bovendien begint het schrijven zich op te dringen. En schrijven is voor mij een belangrijk onderdeel van het biograferen. Als je genoeg weet, ontstaat het idee voor de structuur en de thematiek en dan gaat schrijven relatief snel.”

Inzinking
Ondanks de literaire prijzen en de vele recensies – Brakman was altijd een lieveling van de critici – heeft zijn werk nooit veel weerklank gevonden bij lezers. „Dat heeft hem toch wel een beetje verbitterd. Tussen 1969 en 1972 is er niks van hem verschenen. In die tijd verhuisden ze van de Varviksingel naar een woning aan de synagoge in Enschede. Toen kon hij even niks meer. Hij was op. Echt een inzinking. Na tien jaar schrijverschap. Maar het kwam terug. Hij schreef aan zijn uitgever dat hij hem niet moest lastigvallen met tegenvallende verkoopcijfers. ‘Ik wil schrijven, ik wil de noodzakelijke illusie in stand houden’. Hij wilde in die wereld verdwijnen. Dat is het ongeneeslijk heimwee van de titel. De wereld die voorbij is tot leven wekken, dat wilde hij. Proberen steeds dichter bij het verleden te komen, bij het kind. Hij was wars van de tijdgeest. Nooit heeft hij ergens op enige actualiteit ingespeeld. Hij is zichzelf altijd trouw gebleven.”

Tot zijn verbazing en ergernis werd Brakman in de jaren 80 onder de postmodernisten gerangschikt. Daar moest hij niets van hebben, schrijft Keuning. „Postmodernisme vond hij een spel. Hij had zelf wel degelijk het idee dat het zinvol was wat hij deed. Dat het schrijven en zijn oeuvre inzicht gaven in hoe de wereld in elkaar zat.”

Genieten
Gebrek aan succes lag ook in het feit dat zijn romans onconventioneel zijn. Vaak is er geen lineair verhaal te bekennen. „Hij is echt een man die schreef in scènes die een wonderlijke samenhang vertonen. Zo moet je Brakman lezen. Niet denken: nu ga ik een boek lezen van omslag tot omslag. Je moet genieten van de stijl en het af en toe wegleggen. Om dan te worden verrast door de ene na de andere schitterend geschreven scène.”

© Newsroom Enschede, de samenwerking tussen TC Tubantia en 1Twente Enschede, foto: onbekende fotograaf


Deel deze pagina: